Heeft afvalverbranding een betere toekomst met minder capaciteit?

BEwerken september 2019

Heeft afvalverbranding een betere toekomst met minder capaciteit? Deze vraag zullen vele betrokkenen zich de afgelopen weken hebben gesteld bij de discussies rond het AEB dossier. Vier van de zes AEB lijnen stilleggen op het moment dat een maatregel van de overheid overcapaciteit creëert, is dat een kans of een toevallige samenloop van omstandigheden? Gelet op de historie van de problematiek is mijn conclusie dat het vooral het laatste is.

Over het stilleggen van de lijnen is al veel geschreven en gezegd. Dat behoeft geen verdere toelichting meer. De maatregel die bij ongewijzigd beleid overcapaciteit zal creëren vraagt om meer perspectief voor een juiste interpretatie.

Voor het verbranden van afval bestaat in Nederland al enkele jaren een belastingmaatregel. Niet om meer afval te recyclen want daarvoor is het belastingbedrag per ton afval ook nu nog veel te laag. Het is vooral om een tekort aan financiën te compenseren in de staatskas. Alleen door het gewenste budgetbedrag te delen door het aantal te storten en te verbranden tonnen afval kom je op het vreemde getal van € 32,12 per ton. Daar zit helaas (nog) geen andere filosofie achter. Daarom ging het bedrag ook omhoog toen het te storten asbest werd vrijgesteld. Anders haal je je doelstelling niet!

Zowel het exporteren als het importeren van afval is jarenlang vrijgesteld geweest van deze belastingmaatregel. Pas sinds 1 januari dit jaar geldt de heffing ook op het exporteren van brandbaar afval buiten Nederland. Daarmee wordt een beter level playing field geboden aan de Nederlandse investeringen en onnodig “gesleep” van afval voorkomen. Per 1 januari 2020 wordt echter de heffing ook voor het importeren van brandbaar afval van kracht. Tenminste als het voorstel van het kabinet wat nu voorligt doorgaat. Gebaseerd op het terugdringen van CO2 en daarmee invulling geven aan de Urgenda uitspraak.

Bij het invoeren van een importheffing stopt, door de hogere kosten, de import van brandbaar afval. Het afval kan dan goedkoper worden gestort in het land van herkomst (veelal de UK). Alternatieve opties voor recycling of verbranding in dat land ontbreken vooralsnog en dat zal nog wel enige tijd voortduren. Tegelijkertijd ontstaat er overcapaciteit bij de Nederlandse verbrandingsovens. De ervaring heeft geleerd dat bij overcapaciteit de tarieven voor het verbranden van afval sterk onder druk komen te staan. Het gevolg daarvan is dat de recyclingbranche het moeilijker krijgt hun business model te continueren. Afval stroomt tenslotte altijd naar het laagste putje (prijs).

Op al deze uitgangspunten kan je interessante scenario’s loslaten:

1. Met het invoeren van een importheffing bij de huidige verbrandingscapaciteit zijn er alleen maar verliezers. Geen vermindering van CO2 equivalenten als je de effecten van alle landen bij elkaar optelt. Storten produceert namelijk methaangas wat 25 keer schadelijker is dan CO2 en door de tariefsverlaging bij de ovens wordt er nog minder gerecycled dan nu al het geval is. De verbranders verliezen inkomsten door minder volume en lagere tarieven.

2. De importheffing niet door laten gaan en de huidige verbrandingscapaciteit behouden is een betere oplossing voor de korte termijn maar geeft geen stimulans aan de duurzaamheidsdoelstellingen voor meer recycling en het terugdringen van CO2 in het algemeen. Wel onder de voorwaarde “Nederlands afval eerst” en dat sturen met importvergunningen.

3. Het verminderen van de verbrandingscapaciteit lijkt als alternatief de beste oplossing voor de opties 1 en 2. Stapsgewijs de import zonder heffing afbouwen en daarmee andere landen de kans geven hun recycling doelstellingen te verbeteren. Minder verbranden in Nederland betekent hier minder CO2 -uitstoot. Geen nadelige gevolgen voor de balans tussen de kosten voor recycling en verbranding. Sterker nog, door minder verbrandingscapaciteit een stijging van het tarief per ton en daarmee meer recyclingmogelijkheden. Terug naar het capaciteitsniveau van voor 2006 zou het doel moeten zijn. Niet meer dan 5 Miljoen ton aan verbrandingscapaciteit is voor Nederland de komende jaren meer dan voldoende.

Mijn conclusie is dan ook dat het verminderen van de verbrandingscapaciteit alle betrokken partijen en instanties een betere toekomst biedt. Laat de problematiek van het AEB daarvoor nu juist een kans bieden. Ik ben benieuwd wat het College van B&W en de gemeenteraad van Amsterdam besluit. Wordt het een financiële oplossing of een op de toekomst gerichte duurzame oplossing. Het is een ultieme mogelijkheid om richting en inhoud te geven aan de duurzame ambities van Amsterdam en Nederland.

(bron: voorwoord BEwerken, Ton van der Giessen)